Uit de oude doos 12

Schaken in stijl

Vandaag wil ik eens wat uit de doeken doen over de verschillende schaakstijlen die er zo (geweest) zijn bij het schaken. Hoewel er nogal wat over te vertellen valt, doe ik hier toch een poging om een kort overzicht te geven van de diverse stijlen.

1 Vroeg moderne tijd (1475-1851)

Rond 1475 zijn in Europa de spelregels vastgesteld zoals die nog steeds gelden. De eerste belangrijke figuur is de Spaanse geestelijke Ruy Lopez die de grondlegger is van de Spaanse opening (rond 1560). In de periode 1570 tot 1640 floreerde de Italiaanse Gouden Eeuw, waarvan vooral Greco als de meest briljante speler te boek staat. Hierna verplaatst de schaakwereld zich vooral naar Frankrijk en Engeland. Rond 1700 is de bloeitijd van de koffiehuizen waar ook om geld wordt geschaakt. Het bekendste voorbeeld hiervan is het Café de la Régence in Parijs. De sterke schaker Philidor verdiende hier rond 1750 zijn geld en van hem is de uitspraak; “pionnen zijn de ziel van het schaakspel”. Hiermee bedoelde hij dat in feite de pionnenstructuur bepalend is voor het strijdverloop. De lichte stukken moesten vooral de pionnen niet in de weg staan. Dit stond haaks op de Italiaanse-Engelse school die het omgekeerde beweerde. In feite geeft dit aan dat de Frans-Spaans school opteerde voor gesloten speltypen en de andere school voor open spelen. Deze laatste stijl leidde vaker tot spectaculaire partijen en won dan ook de gunst van het publiek.

Na Philidor kwam er Deschapelles en diens leerling De Labourdonnais, die als eerste schaker in een match met de Engelsman Mac Donnell (in 1834) zou bewijzen dat hij de sterkste speler ter wereld was.

2 Romantische stijl (1851-1900)

Een belangrijk kenmerk van de Romantische stijl is het gambietspel; offers in de opening om snel tot een aanval te komen (Koningsgambiet, Evansgambiet).Daarnaast zijn de open spelen om dezelfde reden favoriet. De bloeitijd van deze stijl ligt tussen 1851 en 1870. In 1851 werd het eerste grote internationale toernooi gehouden in Londen, waar de Duitser Anderssen met deze Romantische stijl de toon zette voor de komende periode. De Engelse school onder leiding van Staunton moest het hiertegen afleggen. Andere vertegenwoordigers van deze aanvallende stijl zijn Zukertort en de Rus Tsjigorin.

3 Klassieke stijl (1870-1930)

Zo rond 1870 startte Steinitz met zijn modernisering van de schaakstijl. Zijn twee belangrijkste stellingen zijn; “the balance of position”en “accumulation of small advantages”.

Met het eerste bedoelde hij dat zolang er een vorm van evenwicht is, een aanval ten dode is opgeschreven. Zo legde hij zich vaak toe op het verdedigen van schijnbaar slechte posities en liet zo de tegenspeler zich stuk lopen op zijn stelling. Ook zijn streven naar het verzamelen van kleine voordeeltjes is een nieuw element in het spel. Zwakke en sterke pionnen en velden zijn ook onderdelen die door Steinitz zijn benoemd en onderzocht. Steinitz was de eerste die probeerde wetenschappelijk het spel op een hoger niveau te krijgen. Zijn empirisch gefundeerde theorie stond haaks op de idealistische benadering van Anderssen en Tsjigorin en vond in het begin dan ook weinig bijval. In de periode 1895-1914 is de Klassieke stijl verder vervolmaakt.

Allereerst is er de Duitser Tarrasch die de stijl in praktische en schaaktechnische zin verder ontwikkelde. Hij formuleerde algemene principes en was het in grote lijnen eens met Steinitz, maar probeerde dit verder te onderbouwen met een objectieve, wetenschappelijke methode. Door zijn opvatting dat er in elke stelling maar één zet de beste is, is hij nogal eens versleten als te dogmatisch. Dit kan niet worden gezegd van de derde grondlegger van de Klassieke stijl; Emanuel Lasker. Deze bracht twee nieuwe elementen naar voren; het psychologische aspect (afhankelijk van de tegenstander is er een betere zet!) en ook de gedachte dat er een plan moet zijn voordat je afkoerst op een bepaalde stelling.

Voor Lasker was een schaakpartij vooral een strijd tussen twee intellecten. Hij was de voorbode van de schaakprofessional; Tarrasch was veel meer de wetenschapper.

De verdere perfectie van de Klassieke stijl is gedaan door onder andere Maroczy, Schlechter, Rubinstein en Capablanca. Deze staan bekend als de Virtuozen.

4 Neoromantiek (1910-1920)

Door de verdere perfectionering van de Klassieke stijl leek het schaken een remisedood te sterven. Een stroming die zich hier tegen verzette is de Neoromantiek. Spelers als Mieses, Marshall en Spielmann pleitten voor het bevorderen van gambiettoernooien om zo het schaken van de ondergang te redden.

5 Hypermodernisme (1910-1930)

Een stroming die succesvoller was om het schaken nieuw leven in te blazen, was het Hypermodernisme. De vertegenwoordigers hiervan zagen geen heil in een teruggrijpen op de Romantische stijl van Anderssen e.a., zoals de Neoromantici dat wilden, maar wilde het schaakspel juist verder ontwikkelen. Ze onderkenden wel dat er algemene principes zijn, maar per stelling konden deze best verschillen. Deze stroming is ontstaan in Oost-Europa.

Een belangrijk element bij de hypermodernen is de opvatting dat je het centrum ook kan beheersen vanaf de flanken, dus zonder het centrum te bezetten met pionnen. Afruil van centrumpionnen was bij Tarrasch uit den boze; voor de hypermoderenen was dit echter geen enkel punt.

Zo ontstond er (opnieuw) aandacht voor de Engelse opening, maar ook de Aljechin-opening en een opening als Pf3 lieten het licht zien. De belangrijkste vertegenwoordigers van deze stroming zijn enerzijds Réti en Breyer en anderzijds Nimzowitsch . Verdere uitdragers van deze theorie zijn Tartakower, Aljechin en Bogoljubow. Men kan stellen dat door deze nieuwe ideeën het schakenspel nieuwe impulsen kreeg. Zo was Aljechin in staat de onverslaanbaar geachte Capablanca in de strijd om de wereldtitel met 6-3=26 te verslaan.

6 Praktische stijl (1925-1940)

Door de sterke elementen van de klassieke en hypermoderne stijl in een samenhangend theoretisch geheel samen te brengen, ontstond er in vooral West-Europa, de Praktische stijl. Vooral Euwe, die talloze theorieboeken schreef, kan worden gezien als grondlegger van deze stijl. In grote lijnen wordt de gedachte van Lasker om planmatig te werk te gaan, verder uitgediept. De term strategie, om doelstelling en planvorming te realiseren, doet zijn intrede. Er is veel aandacht voor openingen. Theoretische kwesties worden pragmatisch opgelost; men keek meer naar de praktijk dan naar empirie. Andere bekende namen van deze stijl zijn, Fine, Flohr en Reshevsky.

7 Sovjetstijl (1940-1990)

Tijdens de Koude Oorlog is er in de Sovjet Unie een eigen schaakstijl ontwikkeld. Als basis werd het spel van Tsjigorin en Aljechin gezien. De ”balance of position” van Steinitz was volgens de grondleggers van de Sovjetstijl, veel te defensief. Zij pleiten voor meer agressie en vooral het naar zich toetrekken van het initiatief stond centraal. Zo kwamen zij met nieuwe varianten in het Koningsindisch om als zwart direct het punt d4 aan te vallen. Ook creativiteit stond hoog in het vaandel; zo keek men niet enkel naar de waarde van de stukken maar ook naar hun positie. Kwaliteitsoffers om met een licht stuk een sterke positie in te nemen werden zorgvuldig onderzocht.

De bemoeienis van de overheid was nadrukkelijk aanwezig en de ideologie van de Sovjetstaat vond ook zijn plek in de nieuwe stijl. Financiële staatssteun zorgde voor verdere professionalisering (gedegen voorbereidingen en teamwork). De belangrijkste grondlegger van deze stijl is Botwinnik; andere zijn Smyslov en Tal

8 Universele stijl (1960-1990)

In de zestiger jaren groeide de Westerse Praktische stijl en de Oosterse Sovjetstijl naar elkaar toe. Enerzijds omdat de ideologische component in de Sovjetstijl naar de achtergrond verdween en anderzijds omdat er meer openheid over en weer was tussen west en oost. Hierdoor namen beide partijen de positieve elementen van elkaar over, zodat er één nieuwe stijl ontstond; de Universele stijl. Universele schakers als Fischer, Larsen en Timman, kunnen overweg met alle partij-typen en diverse fasen waarin een partij verkeert. Concrete analyse en openingsvoorbereiding bleven onveranderd van groot belang.

9 Superdynamische stijl(vanaf 1985)

De laatste ontwikkeling die heeft plaats gevonden heeft geleidt tot de Superdynamische stijl van onder andere Kasparov. Naast openingskennis is hierbij veel aandacht voor dynamiek. De dogma’s van de Klassieken, maar ook de strategische benadering van Euwe (de Praktische stijl) worden verworpen. Men laat zich leiden door “onbewuste principes”, die telkens worden bijgesteld op basis van de praktijk. Het begrip van Steinitz over “balanced positions” krijgt een andere invulling; men streeft juist naar “unbalanced positions” met kansen voor beide partijen. Er is sprake van een dynamisch evenwicht in plaats van een positioneel evenwicht. Deze agressieve stijl werkt enkel bij een zeer diepgaande openingsvoorbereiding en een grote rekenvaardigheid.

Met deze laatste Superdynamische stijl sluit ik het overzicht af. Bij elk hoofdstuk is nog veel meer te vertellen, maar in dit stadium lijkt het me voorlopig voldoende. Overigens heb ik, naast mijn eigen schaakboeken ook gebruik gemaakt van het promotieonderzoek van Ruurd Kunnen.

Quote van de maand: “Alle grote mannen hebben hun fouten. Bij mij zijn het mijn voeten” (Donner).

Joop Beijersbergen november 2017